dinsdag 7 mei 2013

Herdenking 4 mei moet gericht blijven op Tweede Wereldoorlog en Joden, Sinti en Roma en gevallenen

 
Met alle discussie over voortbestaan en invulling van de Nationale Dodenherdenking op 4 mei, heeft het Reformatorisch Dagblad een zeer welkom essay gepubliceerd, dat de ontwikkeling van de Dodenherdenking sinds de oorlog schetst en aangeeft hoe het volgens de auteur verder zou moeten. De Joden in de titel sluit uiteraard niet de andere vervolgingsslachtoffers, waaronder de Sinti en Roma, uit.
 
Wouter
____________

 

Herdenking 4 mei moet gericht blijven op oorlog en de Joden

http://www.refdag.nl/opinie/herdenking_4_mei_moet_gericht_blijven_op_oorlog_en_de_joden_1_736101

04-05-2013 09:40 | Bart Wallet

 

Dat de invulling van de 4 meiherdenking door de jaren heen verandert, is een natuurlijke ontwikkeling. Cruciaal voor de toekomst van de dodenherdenking is wel dat de focus op de Tweede Wereldoorlog gericht blijft. En dat de band met de Joodse gemeenschap in Nederland blijft bestaan. 

 

Het was een pijnlijke vertoning vorig jaar. In de aanloop naar de 4 meiherdenking stapelden de affaires zich op. Op de Dam zou een Brabantse jongen, Auke, een gedicht voorlezen over zijn gelijknamige oudoom, die als SS'er de dood vond aan het oostfront. In Vorden wilde het lokale 4 meicomité graven van Duitse soldaten opnemen in de herdenkingsplechtigheden. In Geffen waren de namen van Joodse oorlogsslachtoffers en gevallen Duitse militairen zij aan zij op een nieuw monument aangebracht. Stuk voor stuk leidden deze gevallen tot een fel en emotioneel publiek debat. 

 

Stoppen maar met die hele 4 meiherdenking, was de scherpe reactie van NRC-columniste Rosanne Hertzberger. Ieder jaar moet de herdenking nog maar breder getrokken worden, terwijl de slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog steeds verder uit beeld raken. De zucht naar relevantie en de hang naar een moderne herdenking was wat haar betreft ditmaal te ver gegaan. Voordat het helemaal „gênant totaalcircus" zou worden, moeten we er maar mee ophouden. In eigen kring zou ieder vervolgens zelf kunnen blijven herdenken. 

 

De debatten lieten zien hoezeer de meningen over de dodenherdenking in de Nederlandse samenleving momenteel uiteenlopen. Aan de ene kant zijn er degenen die 4 mei willen gebruiken als een moment van verzoening tussen vroegere slachtoffers en daders. Het gezamenlijk herdenken van beide groepen zou bijdragen aan de verzoening tussen de huidige generaties. Anderen willen daarentegen op 4 mei uitsluitend de slachtoffers van de naziterreur blijven herdenken. Uit respect voor hen en voor de overlevenden moet deze ene dag per jaar gereserveerd blijven voor het terugdenken aan het spoor van vernietiging dat de bezetters in ons land trokken. 

 

Hoe komt het dat juist 4 mei, een dag waarop het de bedoeling is dat het Nederlandse volk even één is, nu de inzet is geworden van een fel debat? Waarom lopen de meningen over hoe de oorlog moet worden herdacht zozeer uiteen? Dat heeft alles te maken met de plaats die 4 mei in de naoorlogse periode gaandeweg heeft gekregen. In dit essay zal ik de ontwikkeling van 4 mei in grote lijnen schetsen. Dat doe ik vanuit het perspectief van de Joodse gemeenschap, omdat we daardoor de veranderende herinneringscultuur rond 4 mei het scherpst in beeld krijgen. 

 

Verzetshelden

Met de Bevrijding op 5 mei 1945 kan voor het eerst publiekelijk het verdriet getoond worden. Talloze Nederlanders waren in oorlogstijd om het leven gekomen. Daarom begint al direct een zoektocht naar een waardige manier om hen te gedenken. Begin 1946 besluit de ministerraad dat voortaan 5 mei de nationale herdenkingsdag zal worden. De dag zal beginnen met de herdenking van de doden en vervolgens overgaan in feestvreugde om de herwonnen vrijheid. Na fel protest uit de hoek van het voormalige verzet wordt besloten om de dodenherdenking een dag eerder te plaatsen: op 4 mei. 

 

Het is het verzet dat tijdens de herdenkingen in de eerste naoorlogse tijd, tot begin jaren 1960, centraal staat. Tijdens toespraken wordt de heldenmoed van het verzet tegen de bezetters onderstreept en wordt hun dank gebracht voor hun aandeel in de bevrijding van Nederland. De Nederlandse Joden blijven vrijwel buiten beeld. Als de Amsterdamse opperrabbijn Justus Tal in 1954 in een toespraak in de officiële plechtigheid in de Ridderzaal aandacht vraagt voor het Joodse lijden in oorlogstijd, merkt De Telegraaf op dat men die „vaak en al te gaarne vergeet." 

 

Het idee in die eerste naoorlogse periode is dat er één Nederlandse volksgemeenschap is die als geheel heeft geleden. Sommigen waren door het bombardement op Rotterdam getroffen, anderen moesten in de Arbeitseinsatz en de Joden werden naar Oost-Europa afgevoerd. De nadruk mag echter niet liggen op de verschillende groepen in de Nederlandse samenleving: allen hadden geleden, allen moeten nu het land weer gezamenlijk opbouwen. Daarom is er één herdenking op 4 mei voor allen. Echt trots kan het land zijn op de verzetshelden, zij vertegenwoordigen het strijdende Nederland dat uiteindelijk triomferend op 5 mei 1945 weer naar boven kwam. 

 

Eigen monumenten

De oorlogservaringen van Joden worden door deze insteek weggedrukt. Nederlandse Joden gaan er daarom toe over om hun eigen 4 meiherdenkingen te organiseren. De liberale rabbijn Jacob Soetendorp brengt in 1955 onder woorden wat veel Nederlandse Joden destijds dachten: „In ons leed immers zijn wij verenigd [met het Nederlandse volk], in de herdenking van hen, om wien wij leed dragen, gescheiden." Daarom mijden veel Joden de algemene herdenkingen, waar vooral het verzet centraal staat. „Waar kunnen wij onze gevallenen beter herdenken dan binnen de muren onzer synagogen?" 

 

De lijn rond 4 mei komt ook naar voren rond de monumenten. Het wordt Joden niet toegestaan om in het publieke domein, op straat of op een plein, een monument voor hun omgekomen volksgenoten op te richten. Er komt in iedere plaats één centraal monument –zoals in Amsterdam op de Dam– voor alle slachtoffers. De Joodse gemeenschap wil toch de eigen doden gedenken en richt daarom op eigen terrein, in synagogen en op Joodse begraafplaatsen, monumenten op. Vaak worden die op 4 mei onthuld en wordt er gezamenlijk het dodengebed, kaddisj, gezegd. 

 

Slachtoffers

In de jaren 60 verandert de invulling van 4 mei gaandeweg. In 1961 besluit de regering officieel dat op 4 mei niet langer alleen de slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog herdacht zullen worden, maar ook de slachtoffers in Indië en latere militaire conflicten. Toch wordt die koerswijziging in de praktijk doorkruist door een andere ontwikkeling. Bij de herdenking op 4 mei verschuift de focus namelijk steeds meer van de verzetshelden naar de Joodse oorlogsslachtoffers. 

 

Dat heeft alles te maken met twee ontwikkelingen. Allereerst komt wat er met de Joden in de oorlog is gebeurd opeens hard binnen bij de Nederlandse bevolking. Het Eichmannproces in Jeruzalem, dat uitgebreide media-aandacht krijgt, vestigt de aandacht op de moordmachinerie van de nazi's. Auschwitz wordt een woord vol onheilspellende betekenis. Al in 1961 valt over de 4 meiherdenking de schaduw van het Eichmannproces. Daar komt vervolgens Loe de Jongs tv-serie "De bezetting" nog eens overheen, waarin ook de Jodenvervolging met beelden en herinneringen dichtbij komt. Ten slotte publiceert Jacques Presser zijn indrukwekkende kroniek "Ondergang" over de moord op de Nederlandse Joden. Het lijkt alsof het Nederlandse volk zich eerst nu realiseert wat de Joden in 1940-1945 hebben meegemaakt. 

 

Daarnaast verandert de samen­leving in de jaren 60 razendsnel. De culturele revolutie, de ontzuiling en de ontkerkelijking maken dat Nederland op zoek moet naar een nieuwe samenbindende moraal. Tot die tijd was er een brede consensus over een algemeen christelijke moraal "boven de geloofsverdeeldheid". Dat kan nu niet langer. Geloof wordt iets voor achter de voordeur, niet meer iets voor de natie als geheel. Hiervoor in de plaats komt nu de Tweede Wereldoorlog en met name de Jodenvervolging. Dat wordt de nieuwe graadmeter voor goed en fout in de samenleving. 

 

Een gevolg van deze ontwikkeling is dat politieke keuzes in binnen- en buitenland al snel aan de oorlog worden verbonden. De fouten die in oorlogstijd zijn gemaakt, moeten nu voorkomen worden. Nu moet men "goed" zijn. Met een beroep op de oorlog wordt bijvoorbeeld de strijd aangebonden tegen de apartheid in Zuid-Afrika en tegen dictatoriale regimes in Latijns-Amerika. In Nederland wordt tegen een volkstelling geprotesteerd, want zo konden de Joden in oorlogstijd door de bezetters gemakkelijk opgespoord worden. 

 

De herdenking op 4 mei wordt hierdoor steeds Joodser ingevuld. Mochten Joden voordien als onderdeel van de hele Nederlandse samenleving af en toe hun inbreng hebben, nu komen ze centraal te staan. Zij moeten tijdens de herdenkingen hun verhaal vertellen en lessen uit de oorlog trekken voor het hele volk. De kleine Joodse gemeenschap –voordien nauwelijks meer opgemerkt– is nu plotseling de drager geworden van de collectieve Nederlandse moraal. 

 

Band met Israël

Als keerpunt kan de herdenking van 1963 aangewezen worden. Terwijl er voordien geen rekening werd gehouden met de Joodse kalender, wordt nu de herdenking verschoven van 4 naar 3 mei. Zo kunnen orthodoxe Joden, zonder met de sabbat in de problemen te komen, toch aan de herdenking deelnemen. Verzetsorganisaties protesteren tevergeefs. Dat Joden niet aan de herdenking deel zouden kunnen nemen, wordt nu zwaar opgenomen. In Amsterdam worden in drie grote kerken herdenkingsbijeenkomsten gehouden. In elk daarvan voert een (opper)rabbijn het woord. Opperrabbijn Salomon Rodrigues Pereira zegt het nu ook onomwonden. De herdenking betreft allereerst de groep die het zwaarst is getroffen, de Joden. Daarna ook de helden van het verzet. Nadien vertrekken de stoeten uit de kerken, onder leiding van de rabbijnen en protestantse en rooms-katholieke geestelijken, naar de Dam voor de nationale herdenking. 

 

Nu wordt het ook mogelijk om op centrale plaatsen in steden en dorpen monumenten voor omgekomen Joden te stichten. Het initiatief berust vaak bij een gemeentebestuur of bij niet-Joodse burgers, die hun vermoorde plaatsgenoten willen herdenken. Ieder jaar sindsdien worden er op 4 mei steeds weer nieuwe monumenten onthuld, specifiek voor de Joodse oorlogsslachtoffers. 

 

Door de grote aandacht voor de Shoah op 4 mei groeit de Joodse deelname aan de herdenking. Specifieke Joodse herdenkingen op 4 mei verdwijnen daardoor steeds meer. De behoefte aan een eigen herdenking blijft, maar die vindt niet langer plaats parallel aan de algemene herdenking op 4 mei. De Israëlische herdenkingsdag Jom Hasjoa, op 27 nisan, krijgt vanaf de jaren 60 ook in Nederlands-Joodse kring een plaats. Daarbij wordt de band met Israël sterk ervaren. Tot 1980 herdenkt de Joodse gemeenschap in Nederland op Jom Hasjoa de oorlogsslachtoffers en de Israëlische soldaten die sinds 1948 vielen in de oorlogen gezamenlijk. 

 

Zo'n zelfde band met Israël wordt in niet-Joodse kring rond 4 mei overigens ook gelegd. Zo organiseert de Nederlandse Hervormde Kerk in 1975 een speciale 4 meiactie. Het doel is door collectes in de kerken 1 miljoen gulden op te halen voor Israël – de eindopbrengst was 840.000 gulden. De herdenking van het geweld tegen Joden in de oorlog kan, zo vindt het moderamen van de hervormde synode, niet los gezien worden van het geweld nú tegen Joden. Daarom moet de kerk juist rond 4 mei opkomen voor Israël. In Joodse kring wordt dit met blijdschap opgemerkt: in oorlogstijd stonden we alleen, maar nu blijken we toch vrienden te hebben. 

 

Getuigen

Midden jaren 90 verschuift de herinneringscultuur rond 4 mei opnieuw. Het aantal overlevenden van de oorlog neemt steeds meer af. Zij worden nu de laatste getuigen die nog kunnen vertellen wat er in de oorlog is gebeurd. Hun ervaringen worden te boek gesteld en in een groot project van de regisseur Steven Spielberg worden duizenden getuigenissen op film opgenomen. Rond 4 mei vertellen deze getuigen in de media wat ze in de oorlog hebben meegemaakt.

Het perspectief verschuift hierdoor van de groep naar het individu. Het gaat niet meer zozeer om wat de Joodse gemeenschap in de oorlog heeft geleden, maar om de persoonlijke verhalen van Nederlandse Joden. Het karakter van de herdenking wordt daardoor intenser, het komt door die persoonlijke insteek veel dichterbij. 

 

Die wending naar de personen en hun verhalen zie je ook terug in de monumenten. Als er nu monumenten komen voor vermoorde Joden, staan hun namen erop. Steeds vaker wordt er ook voor "Stolpersteine" gekozen. Dan wordt in het trottoir voor het huis waar vermoorde Joden ooit woonden een herdenkingssteen met hun namen aangebracht. 

 

Foute Nederlanders

Tegelijkertijd ontstaat er door die aandacht voor de ervaringen van mensen in oorlogstijd nu ook de ruimte om de persoonlijke verhalen te vertellen van die andere Nederlanders. Ook foute Nederlanders hebben hun oorlogsherinneringen en willen die nu ook steeds meer kwijt. Nu de nadruk minder op groepen ligt, de slachtoffers of de daders, kunnen ook de oorlogsverhalen van Nederlandse NSB'ers en SS'ers rond 4 mei een plaats krijgen. 

 

Dat kan temeer omdat de Tweede Wereldoorlog als bron van moraal steeds meer naar de achtergrond schuift. In de zoektocht naar de eigen Nederlandse identiteit sinds de Fortuynrevolte begin 21e eeuw zijn de progressieve waarden van de jaren 60 in het hart van de nationale moraal geplaatst. Gelijkheid van man en vrouw, van homo en hetero, maar ook zoiets als dierenrechten, zijn nu de ankerpunten van de moraal geworden. Bij vragen rond goed en fout speelt de oorlog steeds minder een rol – en als dat toch gebeurt, komt er nogal wat ergernis los dat de oorlog er weer bij wordt gehaald. 

 

Het beeld van de huidige 4 meiherdenkingen is dat er veel heftige, intense en emotionele oorlogservaringen worden verteld. Tegelijkertijd lijken de scherpe grenzen tussen slachtoffers en daders te vervagen – iedereen lijkt wel een beetje slachtoffer te zijn geweest. Het gedicht van Auke, het Vordense comité en het Geffense monument lijken aan die nieuwe visie ontsproten. 

 

Eenheid

De herdenking op 4 mei is steeds in beweging, staat niet los van de ontwikkeling van de samenleving. Dat is een natuurlijke zaak. Tegelijkertijd ontleent de dag zijn betekenis aan de Tweede Wereldoorlog. De band daarmee kan niet oneindig opgerekt worden. Want hoe meer er op 4 mei herdacht moet worden, hoe minder helder het profiel wordt. Daardoor zal uiteindelijk de betrokkenheid bij de herdenkingen alleen maar afnemen. 

 

Cruciaal voor de toekomst van 4 mei is dat de band met de Joodse gemeenschap bewaard blijft. Dat blijft een van de grote winstpunten van de verandering van 4 mei in de jaren 60. Door het vervagen van grenzen tussen slachtoffers en daders neemt in Joodse kring het ongenoegen over de politiek rond 4 mei toe. Rosanne Hertzberger stond bepaald niet alleen in haar stevige mening. Als Joods Nederland zich terugtrekt uit de algemene 4 meiherdenkingen en zich concentreert op de eigen Joodse herdenkingen op Jom Hasjoa of de religieuze treurdag Tisja be'Av, is de Nederlandse samenleving de grootste verliezer. Op 4 mei herdenken zonder de bevolkingsgroep die het zwaarst getroffen is in oorlogstijd, zou een ernstige blamage zijn. 

 

Wil 4 mei de dag blijven waarop alle Nederlanders gezamenlijk stilstaan bij de oorlog, dan moet de focus scherp blijven. Die ene dag in het jaar moeten de slachtoffers van de nazi's centraal staan –Joden, Roma en Sinti, militairen, verzetsstrijders– en moet politiek even achterwege blijven. Precies zoals Max Heiman Gans, destijds hoofdredacteur van het Nieuw Israëlietisch Weekblad, al in 1959 schreef over de twee minuten stilte: „Bij de dodenherdenking onderbreken wij het leven voor hen en in gedachten zijn wij bij hen, die niet meer zijn." 

 


Bart Wallet

Dr. B. T. Wallet is historicus en hebraïcus en verbonden aan de Universiteit van Amsterdam als docent en postdoctoraal onderzoeker. Hij doet momenteel onderzoek naar de Joodse gemeenschap in Nederland sinds 1945. Hij publiceert en doceert op het terrein van zowel de Joodse als de Israëlische geschiedenis. Van zijn hand verschenen onder meer "Nieuwe Nederlanders. De integratie van de joden in Nederland 1814-1851" (2007), "Wie niet weg is, is gezien. Joods Nederland na 1945" (2010) en "Die ons heeft laten leven. De geschiedenis van de Joodse Gemeente Amsterdam (NIHS) van 1945 tot 2010" (2011).


woensdag 24 april 2013

Boekenlijst voor Dodenherdenking

 
Het is weer bijna 4 mei, dus een aardige gelegenheid voor wat literatuur over de vervolging tijdens de Tweede Wereldoorlog.
 
In Trouw werd onlangs de houding van Paus Pius XII besproken, verdedigd door de Britse auteur Gordon Thomas in zijn nieuwe boek "The Pope's Jews", en neergesabeld door Dirk Verhofstadt (broer van Guy) in de lijvige studie "Pius XII en de vernietiging van de Joden". We mogen helaas niet uitvoerig citeren uit dit interessante artikel.
 
Marja Vuijsje schreef "Ons kamp", een min of meer joodse geschiedenis, waarover ze op 28 april in Zwolle een lezing geeft. In die lezing gaat ze ook in op de vraag wie er op 4 mei tijdens de dodenherdenking mogen of moeten worden herdacht, een de laatste jaren steeds terugkerende controverse.
 
Ook in Limburg kennen we publicaties over een min of meer joodse geschiedenis, zoals "De cirkel", door Marja Pinckaers, een zoektocht naar haar identiteit en het oorlogsverleden van haar joodse grootouders, van wie haar opa in Auschwitz vermoord werd en haar oma ternauwernood overleefde. (Het boekje is via mij verkrijgbaar.)
 
Een overzicht van boeken over de Joodse geschiedenis in (met name) Limburg is op mijn website te vinden. De meeste hiervan zijn bij het EHC in Sittard in te zien (svp. vooraf aanvragen).
 
Daarbij kan ik niet onvermeld laten het boekje waaraan ik zelf mee schreef: "De vergeten joden van Geleen, 1920-1950", vorig jaar verschenen.
 
Zelf heb ik onlangs "Settela" door Ad Wagenaar herlezen, een nog steeds aangrijpend boek over de zoektocht naar een in Buchten geboren Sinti-meisje.
 
Tenslotte, volledig off-topic in deze context (meer iets voor Pasen), maar het verscheen in mijn Google Alert en klinkt heel interessant:
"Het Boek van Leugenaars", een roman door Naomi Alderman over vier mensen in de omgeving van Jezus.
 
Wouter
 
 

vrijdag 19 april 2013

Vandaag 70 jaar geleden: de opstand in het getto van Warschau

 
Vandaag 70 jaar geleden begon de opstand in het Joodse getto van Warschau, die zo'n 4 weken werd volgehouden. Velen was inmiddels duidelijk dat voor iedereen slechts de dood wachtte, en de enige keuze die overbleef was hoe men zou sterven. Voor de opstand waren maandenlang wapens het getto ingesmokkeld en plannen gesmeed, maar de opstandelingen maakten zich weinig illusies.
 
In Israel is de opstand op 7 april al herdacht volgens de Joodse kalender: het begin van de opstand in Warschau blijkt namelijk als datum gekozen voor de herdenking van Yom HaShoah. De internationale herdenking van de Shoa (Holocaust) is gelinkt aan de dag dat Auschwitz werd bevrijd, maar de Israeli's kozen liever voor een datum die verwijst naar het eigen Joodse verzet tegen hun vernietiging, niet aan de bevrijding door buitenstaanders (toen de helft van het Europese Jodendom al was uitgemoord).
 
Onder het navolgende artikel staat in de reacties kritiek op de inhoud. Met name de bewering dat het ondergrondse Poolse leger wemelde van het antisemitisme ("rife with anti-Semitism") lijkt me te generaliserend. Feit is wel dat Polen al in de jaren '30, ruim voor de Duitse inval, antisemitische wetten had ingevoerd, en er zelfs in 1946 nog een pogrom plaatsvond.
Onder het communisme, en ook in het huidige nationalistische klimaat, is het moeilijk om de antisemitische geschiedenis van Polen te onderzoeken en er objectief over te publiceren.
 
NB: Over onderstaande foto heb ik onlangs nog geblogd: Het Joodse jongetje in het getto van Warschau
 
Wouter
__________________
 
 
The ultimate emblem of resistance: the Warsaw Ghetto Uprising
On the revolt’s 70th anniversary, exploring how Jews fought to determine their own fates and how that ethos influenced Israel
 
April 18, 2013, 8:42 pm
The most famous image out of the Warsaw Ghetto. (photo credit: courtesy of the USHMM)
‘With the dead fell the ghetto walls, and in their place today stands the state of Israel.” – Meyer Barkai, ‘The Ghetto Fighters’

In the pantheon of Holocaust symbols, Anne Frank is the composite victim and the definitive killing site is Auschwitz. Though thousands of Jewish resistance acts punctuated the genocide, only the Warsaw Ghetto Uprising achieved the status as the ultimate emblem of resistance.

Nazi liquidation of the Warsaw Ghetto. (courtesy of the USHMM)
Nazi liquidation of the Warsaw Ghetto. (courtesy of the USHMM)

Seventy years ago on April 20, Adolf Hitler was supposed to receive a special birthday present from SS chief Heinrich Himmler: confirmation of the final “liquidation” of the Warsaw ghetto, from which 300,000 Jews had already been sent to the gas chambers of Treblinka.

Himmler was unable to come through on his gift, but it was not for lack of trying. On April 19, the day before Hitler’s 54th birthday, the dictator’s eternal boogeymen – the Jews – picked up arms to temporarily halt the annihilation of their people.

Following World War II, both Jews and Poles helped elevate the Warsaw Ghetto Uprising to mythic status. The Jewish uprising and its Polish-led sequel in 1944 allowed both nations to counter victimhood narratives and base reconstituted states upon self-agency, as opposed to rescue from the outside.

But even without nationalist romanticizing, the story of Warsaw Jewry would reside at the center of Holocaust memory. The world’s second largest Jewish community – and its most vibrant – left behind a wealth of primary sources.

Ghetto publications included 47 underground newspaper titles, many of them preserved in milk cans of the legendary Oneg Shabbat archive. Prominent ghetto residents wrote diaries, including renowned child advocate Janusz Korczak, who accompanied his orphans to death.

Testimony from the ghetto sometimes appears larger-than-life, even by Holocaust standards.

Take the head of Warsaw’s Jewish council, Adam Czerniakow, for example. The engineer and former Polish senator committed suicide when the SS demanded he commence deporting Warsaw’s Jews. It was July of 1942, and 100,000 ghetto Jews had already died of starvation and disease. To quicken the pace of genocide, the Nazis demanded Czerniakow select 6,000 Jews every day for “resettlement” to Treblinka. Out of despair and “to prove to everyone what is the right thing to do,” Czerniakow swallowed cyanide he had stored for the occasion.

Between Czerniakow’s suicide and the start of armed resistance on January 18, 1943, up to 300,000 Warsaw Jews had been gassed at Treblinka. Just 60,000 of the ghetto’s original population of 450,000 remained, bracing themselves for the final liquidation.

The Uprising

Nazi troops entered the ghetto for what they thought would be one of the last times that January morning. As the Germans prepared to rouse their victims from hiding places, they were suddenly assaulted by pistol and grenade-wielding Jews determined to resist deportation.

While most of the Jews hid in cellars, several dozen fighters conducted the first organized armed resistance against the Nazis in Europe. During four major street battles and a coordinated attack at the deportation platform, Jewish fighters killed several SS men.

In the heat of battle during the Warsaw Ghetto Uprising. (courtesy of the USHMM)
In the heat of battle during the Warsaw Ghetto Uprising. (courtesy of the USHMM)

“Thanks to the resistance, during today’s ‘Aktion’ there wasn’t a single instance of the murderers seeking people out in the cellars,” wrote one witness. “They were simply afraid to go down.”

News of the resistance spread throughout Europe, and the image of Jews marching to their deaths as “sheep to the slaughter” encountered a powerful alternative. In a psychological victory, Jews in Warsaw and elsewhere determined to “die with honor.”

Even the Polish underground Home Army — rife with anti-Semitism — called the struggle “worthy of emulation.” Hitler’s troops left the Jews largely to themselves for 87 anomalous days in the condemned ghetto’s existence.

Following the January upheaval, Jewish fighters increased their ranks and prepared for the final showdown. Elaborate hide-outs were prepared for civilians and tunnels dug to connect them. Workers destroyed German machinery in factories where employment was once the only lifeline for ghetto Jews.

No one pretended that resistance would alter the ghetto’s ultimate fate, but fighters and their supporters were determined to inflict a price on the murderers of their families.

On the day before Passover – April 19 – thousands of German, Polish and Ukrainian soldiers surrounded the ghetto. Jewish fighters used homemade bombs, pistols and a single captured machine gun to attack Nazis backed by tanks, artillery and armored cars. More than 200 Nazis were wounded or killed by the end of the day.

The ghetto walls and Nazi forces were overwhelming forces and it would have taken an Exodus-style miracle to free the Jews that evening before Passover. Still, many observers called the genesis of Jewish armed resistance a marvel in itself.

After several days of pitched battles, the Nazis decided to burn the Jews out of their underground hiding places. Every building was set ablaze, burying some victims beneath the rubble and forcing others outside. The “battle of the bunkers” lasted for weeks, longer than armed resistance to the Nazis during the invasion of Poland.

Even during the uprising’s first days, participants and observers began to symbolically frame what would become the most legendary revolt against Hitler’s rule.

“Every doorstep in the ghetto has become a stronghold and shall remain a fortress until the end,” fighters wrote to Poles on the fifth day of the uprising. “It is a fight for our freedom, as well as yours; for our human dignity and national honor, as well as yours. Long live the fraternity of blood and weapons in fighting Poland.”

Inspired by the uprising, the Home Army launched its own revolt against Nazi rule sixteen months later. The Nazis massacred 200,000 Poles and razed Warsaw, making the 1943 Jewish rebellion a preview of the capital’s death knell.

Other acts of resistance

Intense focus on the Warsaw Ghetto Uprising as “proof” that Jews fought back can obscure other resistance acts. The 1943 death camp revolts at Treblinka and Sobibor yielded as many survivors and important testimony about the camps’ procedures, lay-out and personnel.

In Poland and elsewhere, Jews marked for murder carried out armed and unarmed resistance during all phases of the genocide. Before the Nazis could murder them at killing pits or in gas chambers, thousands of Jews fought back – in Bialystok, in Janowska and in Brody, and in hundreds of towns and forests across Europe.

In a twist of history, both Israeli and Polish history-shapers helped canonize the Warsaw Ghetto Uprising for their respective purposes.

The world – except for Israel – marks Holocaust Remembrance Day on January 27, the date Auschwitz was liberated. In 1951, Israel’s leaders chose the uprising’s Hebrew date to memorialize all Holocaust victims, officially calling it the “Day of the Holocaust and Heroism.”

In the early Israeli context, emphasizing Jewish heroism in the Warsaw Ghetto mold outranked the seeming passivity of waiting for liberation by Allied armies.

Prime Minister Benjamin Netanyahu called the uprising “a turning point in the fate of the Jewish people” during this month’s Holocaust Remembrance Day, claiming the warrior mindset born in the ghetto led to Jewish statehood.

David Raporport's Ghetto Heroes Memorial in Yad Vashem's Warsaw Square, Jerusalem. (photo credit: courtesy)
David Raporport’s Ghetto Heroes Memorial in Yad Vashem’s Warsaw Square, Jerusalem. (photo credit: courtesy)

Since 1976, televised Holocaust commemorations have taken place in Yad Vashem’s Warsaw Square, a wall of red bricks through which uprising leader Mordechai Anielewicz and his fighters erupt in a replica of Nathan Rapoport’s iconic sculpture.

Rapoport’s original Ghetto Heroes Memorial stands in a grassy square of Warsaw’s former Jewish quarter. Since the bronze monument’s installation in 1948, the uprising has been remembered as a Jewish affair detached from the experience of Nazi-occupied Poland.

Fewer than 10,000 Jews live in Poland today, compared to more than three-million before the war. The murder of Polish Jews continued even after Hitler’s defeat, albeit in isolated pogroms and not death camps. After the fall of Communist rule four decades later, anti-Semitism went out of vogue as a tool of the manipulative state.

Jewish life in Warsaw has undergone a micro-renaissance in recent years, somewhat demonstrated by this month’s unprecedented activities to commemorate the Warsaw Ghetto Uprising.

Hundreds of volunteers are handing out yellow paper daffodils for people to pin on their clothes, and a human chain of flowers and candles will surround the former ghetto borders. Several weeks of ceremonies, lectures and high-profile political visitors will make the uprising’s 70th anniversary the most visible in Warsaw’s history.

Catalyzing interest in Jewish memory and the uprising is Warsaw’s nascent Museum of the History of Polish Jews.

Designed to foster “a new page in Polish-Jewish relations,” the museum will highlight more than one millennia of Jewish-Polish coexistence. If the Warsaw Ghetto Uprising elevates Jewish resistance, the museum seeks to portray another supposed anomaly – the golden age of Jewish life in Poland.

Already being called the most beautiful public building in Warsaw, the museum was built across the square from Rapoport’s 65-year-old Ghetto Heroes Memorial, close to the uprising fighters’ command center.

As with Jerusalem’s Holocaust History Museum and Berlin’s Jewish Museum, the building’s emblematic design suggests both continuity and the cataclysmic Jewish century. The opaque facade splits open abruptly where it faces the old Ghetto Heroes Memorial, linking the desperate Warsaw fighters to the fragmented recovery of Jewish life in Poland.

Warsaw’s nascent Museum of the History of Polish Jews. (photo credit: courtesy)
Warsaw’s nascent Museum of the History of Polish Jews. (photo credit: courtesy)
 

zaterdag 6 april 2013

Het Joodse jongetje in het getto van Warschau

Klik op de foto voor een grotere weergave.

Eén van de bekendste foto's van de Shoah (Holocaust) is die uit het getto van Warschau in mei 1943. De foto heeft veel zeggingskracht met de angstige vrouwen en kinderen op de voorgrond en gewapende nazi's op de achtergrond. Dat en de sterke compositie (een geënsceneerde foto of een schilderij van Rembrandt zouden het niet beter kunnen) doen het kwalificeren voor de World Press Photo (overigens een Nederlands initiatief uit 1955). De foto werd gemaakt door een nazi-fotograaf en met zo'n 50 andere foto's gevoegd bij een rapport aan Himmler over het neerslaan van de opstand in het getto.

Die opstand was een van de weinige massale daden van verzet door de Joodse bevolking tegen hun aanstaande vernietiging.

Het angstige jongetje op de voorgrond zou Tsvi Nussbaum zijn volgens onder meer dit artikel. Hij werd op 31 augustus 1935 geboren in Palestina, waarheen zijn ouders kort daarvoor waren geëmigreerd. Zij besloten echter in 1939 terug te keren naar Polen en gingen zo hun ondergang tegenmoet... Tvsi zelf overleefde ternauwernood. Hij woonde na de oorlog een aantal jaren in Israel en vestigde zich nadien in de VS, waar hij vorige zomer is overleden.

Hoewel zijn gezicht zeker gelijkenis toont, geloof ik niet dat hij het jongetje op de foto was (hij wist het zelf ook niet 100% zeker), omdat zijn verhaal niet helemaal strookt met de tijd en plaats van de foto.

Gebaseerd op dit artikel uit 2007, lijkt mij dat het Levi Zelinwarger was. Diens vader (toen wel al 95 jaar) meende niet alleen zijn destijds 11-jarige zoontje te herkennen, maar ook de vrouw ernaast als zijn toenmalige echtgenote Chana Zelinwarger-Dubinski (geboren 1905). Chana, Levi en zusje Irina van 9 zijn alledrie vermoord.

Levi Zelinwarger, foto op Yad Vashem en zijn zusje Irina (Ita).

 

Er zijn meer namen toe te voegen: het kleine meisje links zou Hanka Lamet zijn geweest, geboren te Warschau in 1937, met naast haar moeder Matylda Lamet-Goldfinger.

De jongen met de witte zak over zijn schouder was de 14-jarige Leo Kartuzinsky, en de vrouw achter het jongetje op de voorgrond was Golda Stavarowski.

 

Dat doet me afvragen: het kleine meisje tussen Leo en Golda (en tussen de opgeheven handen van Chana en Levi), was dat niet Levi's zusje Irina? Ik ben geen deskundige, maar ze lijkt er behoorlijk op. Je ziet de moeder omkijken met haar mond open. Riep ze soms naar haar dochter: "Ita, kom bij ons lopen voor ik je kwijtraak"?

Yad Vashem verzamelt hun namen.

Wil Brassé

woensdag 20 maart 2013

Waarom in Limburg opvallend veel Joden konden onderduiken

 
In de Kroniek* (Informatiebulletin van de Katholieke Raad voor Kerk en Jodendom) staat een uitgebreid artikel over het proefschrift van Herman van Rens, met wie ik voor het boekje "De Vergeten Joden van Geleen 1920-1950" meermaals informatie heb uitgewisseld. De handelseditie komt in april 2013 uit bij Uitgeverij Verloren.
 
*In die kroniek overigens ook een artikel over het Tweede Vaticaanse Concilie en de verhouding tussen Joden en katholieken.
 
Wil Brassé
_________________
 
Minderheid Limburgse Joden slachtoffer van onaangekondigde razzia's
 
Geschiedenis

Promotie

De vervolging van Joden tijdens de Tweede Wereldoorlog is in Limburg op onderdelen anders verlopen dan in de grote steden in het westen van Nederland, concludeert Herman van Rens in zijn onderzoek.

In Limburg werden de meeste Joden opgeroepen om zich te melden voor werkkampen. Hierdoor hadden zij (korte) tijd om te besluiten onder te duiken en werd slechts een minderheid slachtoffer van onaangekondigde razzia's. De helft van de Limburgse Joden koos voor onderduik of een vlucht naar België of verder.

Van Rens laat zien dat er echter grote verschillen bestonden in overlevingskans tussen de verschillende gemeenten in de provincie Limburg. Deze verschillen konden worden verklaard doordat in sommige steden en dorpen hulpnetwerken ontstonden binnen tamelijk gesloten groepen waarbinnen het helpen van mensen in nood een collectieve norm werd. Het aandeel van een klein aantal invloedrijke morele leiders was hierin van belang.

Van Rens besteedt ook aandacht aan de vervolging van Sinti - doorgaans aangeduid als 'zigeuners' - in Limburg. Er bestonden grote verschillen tussen de vervolging van de Sinti en die van de Joden. De maatregelen tegen Sinti kwamen meer tot stand als gevolg van druk uit de samenleving. Pas in een later stadium kregen Sinti een plaats in het racistisch wereldbeeld van de nationaalsocialisten.

Dhr. H.A.J. van Rens: De vervolging van joden en Sinti tijdens de Tweede Wereldoorlog in de Nederlandse provincie Limburg. Promotor is dhr. prof. dr. J.Th.M. Houwink ten Cate.